“Fuck man! I don’t have a fucking place to sleep yet, man!” roept Joe, die net is ingestapt in de open taxi richting de pier van Trat. Joe is een Ier. Al woont hij al 30 jaar in Frankrijk, en met z’n 65 jaar al een aantal kleinkinderen heeft: het is een Ier, met een dik Iers accent, en gebruikt in iedere zin minstens twee keer het woord “fuck”, of “faaaack” zoals hij het uitspreekt, met lange uithaal. Het is een lijzige vent die nerveus en een beetje trillerig overkomt maar gezellig doorkletst. Hij is pas drie dagen in Thailand en is net als ik in z’n eentje op reis. “It’s the faaacking heat man! It can kill you man! Really, I tell ya! Faaack man”. Hij reist twee maanden rond en heeft nog geen echt plan. Hij weet ook niet hoe z’n telefoon werkt (“I’m too faacking old man! I tell ya”) en rookt aan de lopende band zelfgedraaide peuken. Hij doet me een beetje aan denken Keith Richards van The Stones met net zo’n doorleefde kop en stem maar dan zonder de franje, en met kort grijs piekhaar en een stuk nerveuzer. Hij besloot nadat de locals hem dat gisteren had aangeraden in een “faaacking pub man, where I had some pints with the locals, man, faaaack!” om naar het kleine tropische eiland Koh Mak te gaan, ook mijn bestemming.

De grote open speedboat, met een schaduwdoek als dak en met genoeg plek voor zo’n 15 mensen, gaat na even wachten op de pier van Trat niet veel later vol gas richting het eiland. Ondanks de twee grote brullende 250 pk motoren duurt de tocht ongeveer een uur. De motoren maken best wat herrie dus gezellig kletsen met Joe is er niet bij. Het enige dat rest is gehuld in dik oranje reddingsvest over de reling turen, over de golven, met in de verte de opdoemende tropische eilanden Koh Chang en pas veel later Koh Mak. Het water is diep turquoise en ziet er aantrekkelijk uit, warm, tropisch. De lucht is knalblauw en ook al is het nog maar 11 uur de temperatuur is al dik 30 graden en de luchtvochtigheid plakkerig.

Koh Mak is ongeveer 16 vierkante kilometer klein, een paar betonnen wegen kruisen het eilandje dat verder volledig is begroeid alle tropische planten en bomen die je maar kunt verzinnen. Er zijn nagenoeg geen auto’s op het eiland, alleen een aantal pick-up trucks die mensen of spullen vervoeren. Wel zijn er veel scooters, wat golfkarretjes en sommigen kiezen voor een fiets. Uiteraard zijn er veel resorts, van heel luxe tot heel basic. En een paar guesthouses. Verder vooral veel openlucht eettentjes en restaurantjes.

Bij het aan land gaan word ik opgehaald door een scooter met een aangelaste zijspan. Omdat m’n nieuwe vriend Joe dus geen onderkomen heeft geregeld gaat hij met me mee. We rijden zo een aantal minuten over het eiland en krijgen een goede blik van het leven hier: jungle, honden, eettentjes, warmte, resorts, aangebrande toeristen en nog meer jungle. M’n verblijf guesthouse Hanoii House (met dubbel i) is redelijk nieuw, en ik word ontvangen door Melanie, een Zwitserse die al negen jaar op Koh Mak woont, getrouwd is met een Thaise man en hier haar plek heeft gevonden. Ik geef haar geen ongelijk: ik ben nog niet eerder op een eiland geweest dat zo erg op een tropisch eiland lijkt als deze. De sfeer is ontspannen. Geen feesteiland, dat is duidelijk. Iedereen kent elkaar, helpt elkaar, en je kunt volgens Melanie de sleutel onbeheerd in je scooter laten staan.

Helaas voor Joe zijn alle kamers volgeboekt maar Melanie kent wel iemand die iemand kent die een plekje heeft. Ik vind Joe pas een paar dagen later weer terug in een van de vele eettentjes waar hij straalbezopen ergens in een bankje hangt, rokend, raaskallend en vloekend. Joe is alcoholist en komt er graag voor uit. Hij staat erop dat ik een biertje met hem drink aangezien ik ‘m heb geholpen onderdak te vinden. Hij lult er met grote gebaren wild op los (“I’ll tell ya, faaaack man!”) maar het is eerlijk gezegd nogal gênant. Na m’n snel leeggedronken biertje smeer ik ‘m want mijn leven staat op dit moment even niet in het teken van bier en peuken. Ik kom hier toch om een beetje te werken. Yoga te doen en te helpen op het retreat. Het is erg uitnodigend om in de tropische hitte lekkere koude biertjes naar binnen te werken, maar m’n wekker gaat deze komende twee weken om 5:10 uur. Dus kop erbij houden en vooral: uit de buurt van Joe blijven.

M’n verblijf is heel fijn. Basic, maar nieuw. M’n buren zijn een gezellig jong Pools stelletje dat me ‘s avonds whiskey aanbiedt zodat ik geen maagproblemen krijg. Ik sla niet af, je weet maar nooit.

Early birds

Die wekker van mij dus: 5:10 uur. Knettervroeg. Het is nog stikdonker en het eiland slaapt nog. Ook nu is het nog/al tropisch warm. Ik hoor ontwakende vogels en in de verte het kraaien van een haan. Ik douche mezelf wakker, drink een oploskoffie, pak m’n yoga-spulletjes en stap op m’n gehuurde wit-met-roze scooter, met de vrolijke naam Scoopy. Slippers, korte broek, t-shirt en op pad richting de plek waar onze Shala is (de yoga ruimte). Ik kan het niet anders beschrijven dan droomachtig. Rijdend over de warme donkere tropische weggetjes, linksaf, rechtsaf, heuvel op, heuvel af. Gelukkig zit er werkend licht op m’n scooter want er zijn plekken waar ik werkelijk niks zie behalve de sterrenhemel boven me. Her en der liggen straathonden die te slaperig zijn om aan de kant te gaan.

Een paar minuten later parkeer m’n scooter en begeef me naar de shala, gelegen op de eerste en bovenste etage van een vierkant, losstaand gebouwtje op zo’n tien meter van het strand en de kalm ruisende zee. De trap op en de donkere ruimte in, stilte, diep ademhalende yogis, zweet, de docent en een aantal assistenten. Ik doe eerst zelf m’n yoga practice en assisteer bij de tweede shift die rond 7.30 uur begint.


Droom ik, of is dit echt? Ben ik echt hier? De kokospalmen, het witte zand, het kraakheldere lichtblauwe water, is dit echt allemaal echt? Ben ik hier nou echt allemaal lieve yogi’s aan het helpen naast de grote man himself. Het lijkt wel of m’n hoofd nog niet helemaal geland is hier, dat de overgang te groot is.

Is deze plek en dat wat ik hier mag doen zo mooi dat m’n hoofd moeite heeft om het te begrijpen?

Het duurt uiteindelijk een paar dagen voordat ook m’n hoofd aankomt op Koh Mak. Niet dat ik een jet-lag heb, eerder een mind-lag. Faaack man!